Regelgeving & politiek

Misdrijven

Moord is het bekendste misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 30 jaar is gesteld. Op ‘eenvoudige doodslag’ (art. 287 Sr) stelt de wet maximaal 15 jaar gevangenisstraf; bij meerdaadse samenloop is het maximum 20 jaar. Een levenslange straf kan in deze gevallen dus niet worden opgelegd.

Moord onderscheidt zich juridisch van doodslag door de aanwezigheid van ‘voorbedachte raad’. Dit onderscheidende criterium werd door de wetgever nader uitgelegd als ‘kalm beraad en rustig overleg’. Kalm beraad en rustig overleg behoeven echter niet vast te komen staan. De Hoge Raad acht voor het aannemen van ‘voorbedachte raad’ voldoende ‘dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven’ (HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605). Het tijdsverloop dat nodig is om zich rekenschap te kunnen geven, hoeft niet lang te zijn, enkele seconden kunnen volstaan. In zijn belangrijke strafrechthandboek schrijft voormalig hoogleraar strafrecht en raadsheer in de Hoge Raad De Hullu hierover: ‘Bij deze hedendaagse, vrij marginale invulling is de rechtsgrond voor de wettelijke strafverzwaring niet evident’ (Materieel strafrecht, 2006, p. 242).

Naast moord is op doodslag die is gepleegd onder verzwarende omstandigheden (gekwalificeerde doodslag, art. 288 Sr) levenslang of tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 30 jaar gesteld. Dit geldt ook voor ongeveer dertig andere delicten uit het Wetboek van Strafrecht. Dat zijn bijvoorbeeld misdrijven tegen de veiligheid van de staat (art. 92 Sr e.v.) en tegen de koninklijke waardigheid (art. 108 Sr e.v.), een aantal misdrijven tegen de algemene veiligheid van personen, zoals ‘het doen verongelukken van een (lucht)vaartuig’ (art. 168 Sr) en een aantal misdrijven met terroristisch oogmerk, zoals ‘gijzeling met terroristisch oogmerk’ (art. 282b Sr). Buiten het Wetboek van Strafrecht kan de levenslange gevangenisstraf nog voor andere misdrijven worden opgelegd, te denken valt aan een aantal misdrijven genoemd in de Wet internationale misdrijven van 2003.

Jeugdigen

Aan kinderen die nog geen 18 jaar zijn tijdens het begaan van het delict mag volgens artikel 37 Internationaal Verdrag tot bescherming van de Rechten van het Kind (IVRK) de levenslange vrijheidsstraf in haar absolute vorm niet worden opgelegd. In Nederland is oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan kinderen onder de 18 jaar geheel uitgesloten (art. 77b Sr).

In de gevangenis

De tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geschiedt zoals die van gewone gevangenisstraf. Deze tenuitvoerlegging dient gericht te zijn op voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in de vrije maatschappij. Artikel 26 Beginselenwet Gevangeniswezen (1951) formuleerde dit resocialisatiebeginsel voor het eerst expliciet. Het uitgangspunt is gehandhaafd in de Penitentiaire Beginselenwet 1999 (PBW): ‘Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zo veel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij’ (artikel 2 lid 2 PBW). Voor levenslanggestraften kent de PBW geen bijzondere regelingen.

Uitkeringen

Sinds de Wet van 28 december 2008, S. 2009, 63, zijn uitkeringen aan gedetineerden afgeschaft en ontvangen zij dientengevolge ook geen AOW. Het recht op financiële ondersteuning of bijstand in natura kan nog wel worden gebaseerd op artikel 44 PBW, dat de directeur opdraagt de gedetineerde te voeden en te kleden en hem in staat te stellen ‘zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen’.

Gratie

In 1988 trad de Gratiewet in werking. Ingevolge artikel 2, onder b, Gratiewet kan gratie worden verleend ‘indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.’ Dit wordt ook wel de doelmatigheidsgrond genoemd en wijst erop dat het tot dan toe gevoerde beleid (zie bij Vroeger & nu) zal worden voortgezet.

Standpunten politieke partijen

Hieronder zijn de standpunten van politieke partijen verwoord zoals uitgesproken tijdens het overleg met de toenmalige Staatssecretaris van Justitie op 20 januari 2010, K. 24587, nr. 377, naar aanleiding van de departementale brief over de gratieprocedure en tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraf (K. 32123 VI, nr. 10).

CDA (Jager)
‘Het CDA onderschrijft het voornemen van de staatssecretaris om de gratieprocedure voor levenslanggestraften in stand te houden, zoals deze nu in gebruik is. De individuele beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van de gedetineerden passen niet in een standaardbeleid, zoals de staatssecretaris nu aangeeft.’ (K. 24587, nr. 377, p. 4).

VVD (Teeven)
‘Waarom zou er dan een onderzoek met betrekking tot risicotaxatie eenmaal in de vijf jaar moeten plaatsvinden, als het gaat om die levenslanggestraften? Voor mijn fractie is dat nog niet meteen duidelijk. Wat is het nut van zo’n vijfjaarlijkse risicotaxatie met betrekking tot levenslanggestraften? De VVD hoopt niet dat de staatssecretaris op deze wijze de deur naar toch weer een tussentijdse onderbreking van de procedure van levenslanggestraften openzet. Zij ziet graag dat de staatssecretaris blijft bij haar standpunt dat levenslang in Nederland ook levenslang is, en dat we tussentijds geen experimenten moeten hebben.’ (K. 24587, nr. 377, p. 6). ‘(…) ik denk dat, wat dat betreft, de positie van een levenslanggestrafte niet anders is dan van een langgestrafte.’ (K. 24587, nr. 377, p. 7).

ChristenUnie (Anker)
‘Mijn fractie vindt het een ingewikkeld onderwerp. Het is een moeilijke materie. Ik ben blij dat de staatssecretaris op een meer op de doelgroep toegesneden wijze, inhoud gaat geven aan het verblijf van levenslanggestraften in een penitentiaire inrichting. Ook levenslange gevangenisstraf moet immers humaan ten uitvoer worden gelegd. Dat voor elke levenslanggestrafte een persoonlijk detentieplan wordt opgesteld, is dan ook een goede stap. Kan de staatssecretaris aangeven wat daarbij mogelijk is om te komen tot een zinvolle dagbesteding? Ook voor de fractie van de ChristenUnie geldt dat levenslang in beginsel levenslang is. Om te kunnen spreken van een humane bejegening, moet er volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet alleen juridisch maar ook feitelijk enig perspectief op vrijheid zijn. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid van gratie een veroordeelde een voldoende perspectief biedt op vrijlating. Toch roept de brief van de staatssecretaris op dit punt nog wel een aantal vragen op. De staatssecretaris stelt dat met het in 2005 verhogen van het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf van 20 naar 30 jaar het verschil met levenslang minder groot is geworden. Volgens haar maakt de rechter meer dan voorheen een weloverwogen keuze voor een levenslange gevangenisstraf. Wat betekent dit echter voor de groep van levenslanggestraften die vóór deze wetswijziging onherroepelijk veroordeeld zijn? Klopt het dat dit 27 van de 28 onherroepelijk veroordeelden betreft? Was een en ander dan minder weloverwogen, omdat de keuze ging tussen een straf van feitelijk 13,4 jaar – 20 jaar met strafvermindering, zoals we dat toen nog hadden – en levenslang? Graag ontvang ik daar een toelichting op. Verder zou ik de staatssecretaris willen vragen op welke wijze in de ons omringende landen met de tenuitvoerlegging van levenslang wordt omgegaan.’ (K. 24587, nr. 377, p. 10). ‘Zou de staatssecretaris dat voorstel van het Forum toch nog eens een keer goed willen bekijken om een goed debat in de Kamer op dat onderwerp mogelijk te maken? Ik zou heel graag willen dat de staatssecretaris het beschouwt, maar ook bespreekt met een aantal instellingen. Dat kan de Raad van Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming zijn, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, maar ook heel expliciet een organisatie als Slachtofferhulp Nederland. Die heeft er immers ook alle belang bij. Ik wil daar graag een reactie op van de staatssecretaris.’ (K. 24587, nr. 377, p. 11).

GroenLinks (Azough)
‘Ik ben het volledig eens met de heer Anker dat we op een later moment misschien verder over dit onderwerp moeten doorpraten, misschien met nog wat meer informatie en een iets uitgebreidere brief van de staatssecretaris. Het Hof heeft besloten dat het beleid, zoals het in Nederland gevoerd wordt, wel degelijk aan de Europeesrechtelijke verdragen voldoet. Maar is het gratiebeleid de facto ook gratiebeleid?’ (K. 24587, nr. 377, p. 13).

PvdA (Bouwmeester)
‘Mijn fractie heeft hier nog geen besluit over genomen. Zij heeft het ook nog in beraad.’ (K. 24587, nr. 377, p. 16). ‘Mijn fractie wil ook de argumenten van het comité goed afwegen. Zij zou daar graag in een breder debat, en vooral ook in alle rust, over spreken. Daarbij is het voor de PvdA in ieder geval belangrijk, dat ook het slachtoffer hier een rol in heeft.’ (K. 24587, nr. 377, p. 17).

SGP (Van der Staaij)
‘De SGP vindt levenslange gevangenisstraf geen inhumane straf. Ik denk dat zij dat ook eerlijk moet zeggen. Sinds de afschaffing van de doodstraf in 1870 is het eigenlijk al een omstreden straf geweest in ons strafrecht. Velen hebben gezegd dat het op zichzelf al een inhumane straf is. Dat standpunt deelt mijn fractie niet. Zij vindt het een straf, die – hoe ernstig ook – gepast kan zijn voor zeer ernstige delicten. De SGP heeft ook niet de behoefte om daar verder een soort uitholling in te bewerkstelligen.’ (K. 24587, nr. 377, p. 14).

D66, Partij voor de Dieren en toenmalig Kamerlid Verdonk waren niet bij dit overleg aanwezig. Hun standpunt blijkt uit de indiening van een motie door Kamerlid Pechtold waarin wordt opgeroepen onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het invoeren van een tussentijdse toets (K. 31700-VI, nr. 62). De motie is door hen en door GroenLinks gesteund en dus verworpen.