Europese rechtspraak

In diverse zaken heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg de levenslange straf getoetst aan de waarborgen van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het gaat met name om artikel 3 (het recht om gevrijwaard te worden van een inhumane of vernederende behandeling), artikel 5 lid 1 (het verbod van willekeurige vrijheidsbeneming) en artikel 5 lid 4 (het recht op snelle toegang tot een rechter die de rechtmatigheid van de detentie kan beoordelen en tevens de macht heeft die detentie te beëindigen).

Een Nederlandse zaak onder het huidige beleid en ten aanzien van een commuun gestrafte heeft zich nog niet aangediend. In 1976 speelde wel de zaak van de oorlogsmisdadiger Kotälla. Deze zaak werd echter niet-ontvankelijk verklaard door de toenmalige Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, zodat het EHRM in die zaak geen uitspraak heeft gedaan.

Voor Nederland is op dit moment met name van belang de beslissing van het Europese Hof in de zaak Léger tegen Frankrijk van 11 april 2006 en die in de zaak van Kafkaris tegen Cyprus van 12 februari 2008 en die in de zaak Iorgov tegen Bulgarije (II) van 2 september 2010. Uit die beslissingen volgt dat in de ogen van het EHRM de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf een inhumane behandeling is in de zin van artikel 3 EVRM, als er juridisch en feitelijk geen perspectief op invrijheidstelling wordt geboden (‘irreducible’ is). Een gratieregeling kan de jure (volgens de wet) voldoen aan de waarborg van artikel 3 EVRM, mits gratie de facto (in de praktijk) daadwerkelijk wordt toegepast.

Het EHRM neemt voor zijn beoordeling de diverse resoluties en aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa in aanmerking. In deze documenten worden de lidstaten o.a. opgeroepen om voor (levens)langgestraften verlofmogelijkheden en een beoordelingsmoment voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) te scheppen en bij het publiek begrip te kweken voor de mogelijke terugkeer van deze veroordeelden in de samenleving. Het gaat om Res. 76 (2) uit 1976 en Res. 2003 (22) uit 2003.