De Staat moet concreet duidelijk maken aan welke eisen en/of voorwaarden de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde C. moet voldoen om voor gratie in aanmerking te komen. Tot dit oordeel kwam vandaag de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag in een zaak die was aangespannen door C. tegen de Staat. De rechter is van oordeel dat de Staat voor de beoordeling van gratieverzoeken momenteel geen objectieve criteria hanteert. Met dit oordeel haalt de voorzieningenrechter een streep door de nieuwe gratieprocedure voor levenslanggestraften. Zie over deze nieuwe procedure (ook wel: herbeoordelingsprocedure genoemd) het commentaar op deze site.

Achtergronden

C. is sinds 1987 gedetineerd en wordt niet als gevaarlijk beschouwd. De rechter die de minister over zijn gratieverzoek moet adviseren (het Gerechtshof Den Haag) verklaarde in 2013 al dat het geen advies kon geven omdat voor C. ‘buiten zijn schuld’ geen resocialisatieactiviteiten op gang waren gebracht; dit oordeel moest het gerechtshof – bij een volgend gratieverzoek –  in 2016 herhalen omdat op dat moment nog steeds onvoldoende aan de resocialisatie van C. was gedaan. Zo had C. nog steeds geen onbegeleid verlof genoten.

Ook thans wordt onbegeleid verlof nog steeds aan C. onthouden. De  Beroepscommissie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (BC RSJ) heeft inmiddels wel op 27 maart jl. aan de staatssecretaris opgedragen om over het verzoek om onbegeleid verlof een nieuwe beslissing te nemen. Daarbij heeft de BC RSJ bepaald dat er sprake moet zijn van een ‘uitgestippeld’ traject: aangegeven moet worden op welke termijn en onder welke voorwaarden en met welke opbouw door C. op onbegeleid verlof kan worden gerekend.

De Voorzieningenrechter wil nu dat de Staat ook zo’n traject uitstippelt voor het verlenen van gratie. Daarom moet de Staat binnen vier weken concreet duidelijk maken aan welke eisen en/of voorwaarden C. moet voldoen om voor gratie in aanmerking te komen. Voor C. moet duidelijk zijn ‘wat er van hem wordt verlangd en waar hij aan toe is’ (r.o. 4.5).

Motivering van het vonnis

Voor zijn beslissing baseert de voorzieningenrechter zich niet alleen op het tussenarrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 en de hierboven genoemde beslissing van de Beroepscommissie van de RSJ van 27 maart 2017 jl. maar ook op het arrest van het Europese Hof voor de Recht van de Mens van 17 januari 2017 (Hutchinson tegen het Verenigd Koninkrijk). Uit deze rechtspraak leidt de voorzieningenrechter af dat de voorwaarden voor de beoordeling van een gratieverzoek voldoende duidelijk en objectief moeten zijn en tevens voldoende nauwkeurig en specifiek. Dit volgt uit de eis van rechtszekerheid (vonnis r.o. 4.7 jo. 4.5, vgl par. 59 Hutchinson/VK).

De voorwaarden die de Gratiewet noemt, aangevuld met de voorwaarden in de brief van de staatssecretaris van 25 oktober 2016, voldoen niet aan deze criteria. Deze voorwaarden zijn: ‘het recidiverisico, de delictgevaarlijkheid, de impact op de slachtoffers en nabestaanden en het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte tijdens zijn detentie’. Deze voorwaarden zijn volgens de voorzieningenrechter geen ‘objectieve, nauwkeurige en specifieke criteria zoals bedoeld door de Hoge Raad, de RSJ en het EHRM (r.o. 4.7).

Conclusie

Met dit oordeel over het karakter van de beoordelingscriteria in de gratieprocedure haalt de voorzieningenrechter een streep door het door de staatssecretaris voorgestelde plan om de levenslange gevangenisstraf levensvatbaar te houden. In elk geval zullen de toe te passen criteria moeten worden aangepast.

Volgens het Forum Levenslang behoeft het plan van de staatssecretaris ook op andere punten bijstelling om in september 2017 de toets van de Hoge Raad te kunnen doorstaan, zoals bijvoorbeeld op het punt van de in de regeling voorgestelde én ontbrekende termijnen. Zie daarover het commentaar van het Forum (op deze website) en – meer uitgebreid – het artikel van W.F. van Hattum in Delikt en Delinkwent, april 2017 (alleen toegang via Navigator).

W.F. van Hattum, 14 april 2017