Op 9 januari heeft de beroepscommissie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ten vierde male een beroep van de levenslanggestrafte X., gericht tegen het besluit van de minister hem verlof te weigeren, gegrond verklaard. De Minister moet binnen twee weken een nieuwe beslissing nemen. De eerdere beslissingen van de BC RSJ dateren van 12 maart 2018, 30 augustus 2018 en 29 oktober 2018.

Achtergrond

Aan X. was in 2017 verlof toegestaan op aanwijzing van de beroepscommissie van de RSJ, zie haar beslissing van 12 april 2017. X was toen bijna 25 jaar gedetineerd. De beroepscommissie overwoog destijds dienaangaande dat deelname aan resocialisatieactiviteiten van belang is ‘voor de beoordeling van een ingediend gratieverzoek’ en dat ‘tot die activiteiten (…) het verlenen van verlof [behoort]’.

Nadat in 2017 het Adviescollege Levenslanggestraften in het leven was geroepen, heeft dat college de minister inmiddels (minimaal) tweemaal in deze zaak geadviseerd. De strekking van deze adviezen is dat de toegekende verloven worden voortgezet en uitgebreid en de begeleiding wordt afgeschaald. Opmerkelijk is derhalve dat de minister tegen de adviezen van het Adviescollege in de verloven heeft gestopt.

De Minister geeft daarvoor onder meer als reden dat hij de belangen van de nabestaanden en slachtoffers ‘veel zwaarder’ weegt dan het Adviescollege (beslissing 25 september 2018). De beroepscommissie van de RSJ benadrukt echter opnieuw ‘dat zij het van belang acht dat klager op verlof kan in het kader van zijn re-integratie, zodat een juiste afweging kan worden gemaakt bij klagers gratieverzoek’ en overweegt dat de omstandigheden die de minister aanvoert ‘onvoldoende zwaarwegend [zijn] om tot het oordeel te komen dat de belangen van de slachtoffers en nabestaanden dienen te prevaleren boven het belang van klager bij verlofverlening, mede gelet op het feit dat eerdere verloven goed zijn verlopen’.

Grondslag verlof

In deze zaak worden de verloven – anders dan in de beslissing van 13 december jl.  ̶  nog gebaseerd op artikel 21 Regeling tijdelijk verlaten inrichting (incidenteel verlof). De reden voor deze uitzondering is volgens de beroepscommissie dat de eerdere verloven waren toegekend op basis van dit artikel en onderhavig verzoek hierop ‘voortborduurt’.

De advocaat van X, mr José Lindhout, is inmiddels opgevolgd door mr Daniëlle Troost, te Rotterdam

W.F. van Hattum, 14 januari 2019