Inleiding

De oplegging van een whole life tariff (een levenslange gevangenisstraf zonder minimumduur en dus in beginsel voor het hele leven) wordt door het EHRM niet langer beschouwd als een schending van artikel 3 EVRM. Het betekent echter niet dat er sprake is van een koerswijziging ten opzichte van de uitspaak in Vinter/VK van 9 juli 2013 en Murray/Nederland van 26 april 2016. Die koers wordt voortgezet, zo blijkt uit par. 70 van het vandaag gewezen arrest.

EHRM (GK) Hutchinson/VK 17 januari 2017

Vandaag deed de Grote Kamer (17 rechters) uitspraak in de zaak van de levenslanggestrafte Hutchinson tegen het Verenigd Koninkrijk. De zaak was eerder beoordeeld door een kleine kamer van het Hof (7 rechters). Deze kamer had op 3 februari 2015 met zes stemmen tegen één geoordeeld dat de Britse regeling van de levenslange gevangenisstraf zonder minimumduur (whole life tariff) inmiddels in orde was. Daartoe verwees die kamer naar een uitspraak van de Britse Court of Appeal. Deze uitspraak (R v. McLoughlin en R v. Newell, [2014] EWCA Crim 188) is ook voor de Grote Kamer doorslaggevend (par. 19 jo par.70).

Samenvattend komt de Grote Kamer tot de slotsom dat de Britse rechter in de McLoughlin en Newell-zaak de onduidelijkheid over de nakoming van artikel 3 EVRM voldoende heeft weggenomen. De uitspraak van het Britse Court of Appeal heeft naar het oordeel van de Grote Kamer helderheid gebracht in de reikwijdte en de gronden voor de voor de levenslange gevangenisstraf vereiste herbeoordeling, en ook in de manier waarop die herbeoordeling moet worden uitgevoerd. Ook leest de Grote Kamer in de uitleg van de Britse rechter dat de Secretary of State verplicht is om de gevangene vrij te laten op het moment dat voortduring van de detentie niet langer kan worden gerechtvaardigd met legitieme penologische doelen (het Vinter-criterium). Het door de Britse rechter in deze casus geschetste rechtssysteem, een systeem gebaseerd op de Human Rights Act, de rechtspraak en de gepubliceerde richtlijnen, acht de Grote Kamer niet strijdig met artikel 3 EVRM. Nadere uitwerking van dit recht moet ontstaan in de nationale praktijk, aldus de Grote Kamer. Daarbij geldt als belangrijke extra waarborg, aldus wederom de Grote Kamer, dat de nationale gerechten verplicht zijn om de rechtspraak gebaseerd op artikel 3 EVRM zoals die zich in de toekomst zal ontwikkelen, in  aanmerking te nemen.

De Grote Kamer neemt derhalve geen afstand van zijn eerdere rechtspraak maar vertrouwt er eenvoudig op dat de Britten door middel van hun eigen rechtssysteem, de Common Law, ervoor zullen zorgdragen dat de praktijk in overeenstemming is met de voorwaarden voor de oplegging van een levenslange gevangenisstraf die uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeien.

De Grote Kamer onderzoekt de situatie van Hutchinson van vóór de uitspraak in McLoughlin en Newell niet. Hij zegt daarover echter (par. 73) dat die situatie zich niet zal hebben onderscheiden van die van Vinter. Wat de Kamer hiermee bedoelt staat er niet. Ik begrijp deze paragraaf zo dat de levenslange straf opgelegd aan Hutchinson dus net als  bij Vinter c.s. tot aan de uitspraak McLoughlin en Newell niet voldeed aan de verdragsvereisten en er dus een wijziging in de tenuitvoerlegging van de straf van Hutchinson moet komen. Gebeurt dat niet dan blijft de situatie immers strijdig met artikel 3.

 

Dissenting opinions

Drie van de zeventien rechters van de Grote Kamer delen het oordeel van de andere veertien niet. Rechter Pinto de Albuquerque (Portugal, waar levenslange gevangenisstraf bij de grondwet verboden is) schreef – zoals hij vaker doet – een uitgebreide dissenting opinion, waarbij de Hongaarse Judge Sajo (de voorzitter van het Hof in deze zaak) zich aansluit. Beide rechters hadden tijdens de hoorzitting van 15 oktober 2016 al kritische vragen aan de vertegenwoordiger van het VK Government  gesteld. Rechter Lopez Guerra (Spanje) is van oordeel dat het Hof zich niet uitsluitend had mogen baseren op het huidige Britse recht, omdat Hutchinson immers gedurende vele jaren zijn straf uitzat onder een regiem dat niet verschilde van dat van Vinter c.s. en dat in strijd was met artikel 3 EVRM.

 

Proef op de som: de sentencing remarks in de strafzaak tegen de moordenaar van Joe Cox

De Britten moeten nu dus laten zien dat het hun menens is. De proef op de som kan wellicht al spoedig genomen worden, namelijk wanneer het oordeel van de sentencing judge in de zaak tegen de moordenaar van Joe Cox bij het Court of Appeal komt. De rechter legde de verdachte een whole life term op met de toevoeging dat dit ‘dus’ betekent dat ‘áls hij ooit door de State Secretary wordt vrijgelaten dit slechts gebeurt om hem thuis te laten sterven’. Dit zijn opmerkingen die niet in de sleutel van Vinter en Murray passen en die de hogere rechter dus niet zou moeten bekrachtigen, wil het Koninkrijk het EHRM niet teleurstellen.

 

W.F. van Hattum,

17 januari 2017