Op 14 april vorig jaar beval de kortgedingrechter in Den Haag de Staat om aan de levenslanggestrafte C. meer concrete aanwijzingen te geven met betrekking tot de voorwaarden om voor gratie in aanmerking te komen. C. was op dat moment bijna 30 jaar gedetineerd, werd niet als recidivegevaarlijk beschouwd en over hem was reeds in 2013 in de toen aanhangige gratieprocedure door de strafrechter een voorlopig positief advies uitgebracht.

De Staat ging tegen dit vonnis in hoger beroep omdat hij vond dat C. uit de afwijzing van de eerdere gratieverzoeken en uit het beleid zoals dat een de Tweede Kamer was kenbaar gemaakt, wel kon opmaken waar het aan schortte. Met dit argument is door het Hof vandaag korte metten gemaakt.

Het Gerechtshof Den Haag bekrachtigde namelijk vandaag het vonnis van de kortgedingrechter. Van de Staatssecretaris mag worden verlangd dat hij een concreet traject uitstippelt aan de hand waarvan C. kan opmaken of, en – zo ja – op welke termijn, aan hem gratie kan worden verleend. De Staat moet aan C. duidelijk maken wat van hem wordt verlangd en waar hij aan toe is. Hiermee is de stelling van de Staat verworpen dat de vereiste duidelijkheid reeds is verstrekt in de eerdere afwijzing van C.’s gratieverzoeken, de Gratiewet en de (algemene) brief van de Staatssecretaris van 25 oktober 2016 aan de Tweede Kamer. Het Hof heeft hiermee tevens het oordeel van de kortgedingrechter bekrachtigd dat de in die brief genoemde criteria (recidiverisico, delictgevaarlijkheid, de impact op slachtoffers en nabestaanden, gedrag en ontwikkeling tijdens detentie) in casu ‘onvoldoende objectief, nauwkeurig en specifiek’ zijn.

Ondanks het feit dat het hier gaat om een zaak die ruim na overschrijding van de 25-jaarstermijn onder de nieuwe herbeoordelingsprocedure wordt gebracht en daarom als een ‘overgangsgeval’ wordt bestempeld, heeft de civiele rechter in onderhavige procedure het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 voor alle levenslanggestraften nadere invulling gegeven: van de Staat mag worden gevergd dat hij naarmate de straf langer duurt ‘met een steeds grotere mate van precisie’ aan de levenslanggestrafte laat weten wat hij moet doen om voor gratie in aanmerking te komen, ‘zodat hij weet waar hij aan toe is’. De genoemde criteria, die thans zijn opgenomen in artikel 4 lid 4 Besluit Adviescollege levenslanggestraften, zijn met andere woorden na zeker moment onvoldoende objectief, nauwkeurig en specifiek. Er zal op den duur voor elke levenslanggestrafte een concreet traject richting gratie moeten worden uitgestippeld.

W.F. van Hattum, 27 februari 2018