In zijn arrest van 13  november 2017 zag het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden af van het opleggen van de door het OM  gevorderde levenslange gevangenisstraf, niet omdat die straf te zwaar zou zijn, of in strijd met het EVRM, maar omdat die straf de samenleving te weinig tegen de verdachte zou beveiligen.

Het Hof overwoog dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf volgens de huidige regeling op termijn ‘zou … kunnen inhouden dat verdachte op enig moment en op enigerlei wijze weer terugkeert in de maatschappij’. Het Hof acht dat niet verantwoord. Want, ‘(b)ehandeling van (verdachtes) stoornis heeft dan niet plaatsgevonden, in elk geval niet op de wijze zoals thans door de deskundigen in het kader van de maatregel van een ter beschikkingstelling is geadviseerd.’ Uit het oogpunt van ‘maximale beveiliging van de maatschappij’  legt het Hof daarom naast een (tijdelijke) gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, óók een tbs met dwangverpleging op

De motivering om af te zien van de oplegging van ‘levenslang’ lijkt nogal omslachtig. Als het Hof een tbs wilde opleggen, vanwege de in zijn ogen noodzakelijke behandeling van de verdachte, had het met de oplegging van die maatregel naast een tijdelijke gevangenisstraf kunnen volstaan. Oplegging van een levenslange gevangenisstraf was dan immers juridisch uitgesloten. De vraag is dan ook gerechtvaardigd waarom het Hof voor bovenstaande motivering kiest.

Die overweging laat zich op tenminste twee manieren lezen. Het Hof zou kunnen hebben bedoeld dat het weinig vertrouwen heeft in de wijze waarop volgens het nieuwe reviewmechanisme na 25 jaar getoetst wordt of de verdachte nog een gevaar voor de samenleving vormt. De veroordeelde zou door de toets heen kunnen komen zonder dat het gevaar voldoende geweken is. Het toetsingsmechanisme zou de samenleving kortom onvoldoende beveiligen.

De overweging kan echter ook zo worden gelezen dat het Hof kritiek heeft op de wijze waarop de levenslange gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd. In dat geval vindt ‘de noodzakelijke behandeling (…) niet plaats’, aldus het Hof. De tenuitvoerlegging zou dus de noodzakelijke behandeling van de stoornis in de weg staan. Dit oordeel impliceert een diskwalificatie van de huidige wijze van tenuitvoerleggen van de levenslange gevangenisstraf en niet zozeer van het reviewmechanisme.

Het Europese Hof tot bescherming van de Rechten van de Mens (EHRM) schrijft de lidstaten voor om levenslanggestraften dié behandeling aan te bieden die hun kansen op terugkeer vergroot, en daartoe de veroordeelden zo nodig in een therapeutische setting te plaatsen (Murray/Nederland, par. 104, 105). Dat kan een TBS-kliniek zijn. Het huidige beleid sluit die weg echter af. Volgens dit beleid worden, anders dan de wetgever heeft bedoeld (zie de toelichting op art. 13 lid 1 Sr), geen levenslanggestraften meer naar een tbs-kliniek voor behandeling overgebracht (dit beleid volgt ook uit art. 2 lid 6 Verlofregeling TBS). Voor zover het Hof met deze overweging inderdaad kritiek uitoefende op dit beleid, is er nu, naast de rechtspraak van het EHRM, nog een reden voor de administratie haar beleid te herzien.

W.F. van Hattum, 17 november 2017.