Op 1 december jl. is het Besluit Adviescollege levenslanggestraften in de Staatscourant geplaatst. Het besluit treedt op 1 maart 2017 in werking. De regeling geeft uitvoering  aan de plannen van de Staatssecretaris van Veiligheid  en Justitie zoals uiteengezet in zijn brieven van 2 juni, 2 september en 25 oktober 2016.

Samenvatting van de regeling:

– Het Adviescollege wordt voor een periode van 4 jaar door de minister benoemd (art. 2-2). Die periode is eenmaal verlengbaar (art. 2-3).

– Het college bestaat uit een voorzitter ‘met een juridische achtergrond’, twee juristen, een psychiater en een psycholoog, allen met ervaring ‘in de strafrechtspraktijk en de tenuitvoerlegging van straffen’. Voorts moet het college verstand hebben van de specifieke positie en de belangen van slachtoffers en nabestaanden (art. 2-1, 2).

– De leden kunnen door de minister worden ontslagen, o.a. wegens ‘ongeschiktheid’ (art. 3-2). De secretaris, die geen deel uitmaakt van het college, valt onder de minister, maar hoeft slechts verantwoording af te leggen aan het Adviescollege (art. 6).

– Het Adviescollege zal niet eerder dan na 25 jaar detentie (art. 4-3) de minister adviseren over de aan te vangen re-integratieactiviteiten van de levenslanggestrafte. Onder die activiteiten wordt ook verlof begrepen (art. 1f).

– Het Adviescollege hanteert hierbij vier criteria, waaronder vanzelfsprekend gevaarlijkheid, maar ook: ‘de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding’ (art. 4-3, 4). Volgens de toelichting is dit een objectief criterium.

– In deze 25 jaar vanaf detentie is er geen sprake van verlof of interventies gericht op re-integratie.

– Het Adviescollege bepaalt zelf een termijn waarbinnen een vervolgadvies zal worden uitgebracht (art. 4-6).

– Het Adviescollege heeft onderzoeksbevoegdheden, zoals het bezoeken van de p.i. en het horen van deskundigen, maar mag daarvan slechts gebruik maken voor zover dat ‘redelijkerwijs’ nodig is (art. 5-3). Het Adviescollege mag zelf zijn werkwijze bepalen (art. 10) maar de veroordeelde én de slachtoffers en nabestaanden moeten worden gehoord (art. 4-5).

– Een advies om niet met re-integratie te starten moet door de minister worden gevolgd; van een positief advies mag de minister gemotiveerd afwijken (art. 7).

– Elke twee jaar brengt het Adviescollege een verslag uit (art. 12).

Uit de toelichting:

– Zes maanden voordat het adviescollege aan de slag gaat (na 25 jaar detentie), zal de veroordeelde voor onderzoek en risicoanalyse naar het PBC worden overgebracht. De reclassering moet een Risc uitvoeren. Slachtofferhulp Nederland voert een nabestaandenonderzoek uit.

– 25 jaar na oplegging van de straf zal de minister uit zich zelf gratie in overweging nemen. In die procedure informeert het Adviescollege de minister over de voortgang van de resocialisatie- en re-integratieactiviteiten als door het college al eerder een advies mocht zijn uitgebracht (art. 4-2).

– Door het verschil tussen ‘25 jaar detentie’ en ‘25 jaar na oplegging van de straf’ wordt de veroordeelde voldoende tijdig in staat gesteld  om ten tijde van de behandeling van het gratieverzoek te laten zien dat hij vorderingen heeft gemaakt op het gebied van resocialisatie en re-integratie.

– De veroordeelde kan tegen een weigering van het verlof beroep instellen bij de penitentiaire rechter en tegen de weigering van de minister om het advies van het Adviescollege te volgen kan hij bij de burgerlijke rechter om een spoedvoorziening vragen.

Conclusies:

– het onduidelijke onderscheid tussen resocialisatie- en re-integratieactiviteiten zoals naar voren gebracht in de brieven van 2 juni en volgende, blijft gehandhaafd;

– er zijn geen termijnen gesteld aan de besluitvorming binnen de adviesprocedure, noch aan de termijn voor het vervolgadvies, noch aan de beslissing van de minister na toezending aan hem van het advies, of het moment van aanvang van geadviseerde activiteiten, zodat het onduidelijk is hoe lang het traject kan duren  ter voorbereiding van een eventuele vrijlating;

– de regeling bepaalt niet welke criteria de minister zal hanteren als hij wil afwijken van het advies van het Adviescollege;

– verzoeken om voorwaardelijke invrijheidstelling komen slechts aan de orde in de gratieprocedure, die niet eerder dan 25 jaar na oplegging wordt gestart. De toelichting spreekt in dit verband dat ‘als uitgangspunt’ geldt dat de herbeoordeling (= behandeling gratieverzoek) na niet meer dan 25 jaar na oplegging dient plaats te vinden. Dit biedt dus geen garantie dat de veroordeelde 25 jaar na oplegging van de straf voor die herbeoordeling ‘beslagen ten ijs kan komen’. Het moment van eventuele aanvang (niet eerder dan na 25 jaar na oplegging), de onbepaalde duur van de procedure bij het Adviescollege, gevolgd door een nieuwe termijn en de procedure bij de minister, dragen voorts niet bij aan een tijdige re-integratie;

– Het moment van ‘oplegging’ is niet nader gedefinieerd. Aangenomen mag worden dat het gaat om de eerste oplegging (dit kan echter ook de datum van het arrest in hoger beroep zijn, namelijk als de rechtbank een tijdelijke straf heeft opgelegd); de duur van de detentie tot aan het moment van oplegging kan per gedetineerde aanzienlijk verschillen en de detentie tot aan de ambtshalve gratieprocedure dus ook;

– Openbaarmaking van de tweejaarlijkse verslaglegging is niet geregeld, zodat niet zeker is of de werkwijze van het Adviescollege aan het publiek bekend zal worden.

Spontane gratieverzoeken

Omdat met deze regeling de wet niet wordt gewijzigd, blijft de Gratiewet van toepassing. Spontane gratieverzoeken zullen dus conform die wet in behandeling genomen moeten worden. Indien in deze procedure een te grote vertraging optreedt (zoals een aantal keren is gebeurd), is de gang naar de civiele rechter aangewezen.

Overzicht lopende en aankomende resocialisatie / re-integratietrajecten

Twee gedetineerden zitten inmiddels (veel) langer dan 25 jaar sinds de oplegging van hun straf, namelijk resp. bijna 34 jaar en 29 jaar. Zij hebben door middel van diverse rechterlijke procedure verlof afgedwongen. Van uitzicht op gratie is nog steeds geen sprake omdat de rechter wegens het ontbreken van activiteiten ter voorbereiding op terugkeer in de samenleving de toets voor herbeoordeling niet kon uitvoeren en de staatssecretaris het belang van de slachtoffers en nabestaanden tot nog toe zwaarder laat wegen.

Bij de ene gedetineerde worden sinds 2015 de verloven mondjesmaat uitgebreid, zodat hij thans vier begeleide verloven per jaar geniet. Het perspectief op vrijlating is nog steeds geheel afwezig.  Zie hier voor een beschrijving van deze casus. De andere gedetineerde staat onder toezicht van de TBS-kliniek waar hij sinds 2001 verblijft. Deze kliniek kreeg na tussenkomst van de rechter uiteindelijk toestemming voor het verlenen van onbegeleide verloven. De kliniek houdt toezicht op het verloop van die verloven. Dit is een voor een levenslanggestrafte een a-typische verlofprocedure, namelijk een procedure die past in een TBS-behandeling (er verblijft ten minste nog één andere levenslanggestrafte in een TBS-kliniek). Uitzicht op gratie is er nog niet.

Een derde gedetineerde (Edwin S.) zit over ruim één jaar 25 jaar vast. Ook hij dwong in de zomer van 2016 een resocialisatieplan af door een kort geding te voeren bij de civiele rechter. Zie hier voor het verloop van deze procedure. Verlof wordt hem vooralsnog niet toegekend (Beroepscommissie 31 augustus 2016 16/1660/GV (tussenbeslissing). Zijn gratieverzoek wort nu al vier jaar opgehouden door het OM.

Over twee jaar dienen zich de eerste twee levenslanggestraften aan die dan 25 jaar gedetineerd zijn. Aan hen is – voor zover bekend – nog geen resocialisatie- of re-integratie-traject aangeboden.

W.F. van Hattum, 12 december 2016