Op 5 april deed het Hof Den Haag (civiele kamer)  uitspraak in hoger beroep over de rol van het rechterlijk advies in de gratieprocedure. Deze uitspraak is van bijzonder belang voor gratieprocedures van levenslanggestraften die een beroep doen op de Vinter-rechtspraak. Over de uitleg van die rechtspraak verschillen immers de Staatssecretaris en de rechter van mening. Dit leidde ertoe dat de Staatssecretaris in 2014 tot tweemaal toe het advies van de rechter  naast zich neerlegde. Deze vrijheid is nu aan banden gelegd.

Naar het oordeel van het hof is het rechterlijk advies in beginsel leidend en weegt het zwaarder dan het advies van het OM. Het Hof leidt dit af uit de wetgeschiedenis van de Gratiewet.

“Uit de wetgeschiedenis volgt dat het gratie-instrument er niet toe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, doch om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd”.

Van het advies kan alleen worden afgeweken ‘in geval van bijzondere omstandigheden’, zo volgt eveneens uit de wetgeschiedenis Een afwijkend OM-advies is naar het oordeel van het hof echter niet zo’n bijzondere omstandigheid.

“Aldus heeft de minister miskend dat het advies van het OM en het rechterlijk advies geen gelijkwaardige adviezen zijn en dat het er niet omgaat om, ingeval van uiteenlopende adviezen, te kiezen voor het ene dan wel het andere advies”.

Advocaat in deze zaak is mr D. Schaap, Wybenga-advocaten te Rotterdam.

 

Zie voorts over deze kwestie: W.F. van Hattum: ‘Het recht van Gratie’, NJB 2014,afl 36. In dit artikel wordt de door het hof aangehaalde wetsgeschiedenis beschreven en verslag gedaan van de beide bovenbedoelde zaken waarin de Staatssecretaris de adviserende gratierechter niet volgde.