Het arrest

Op 19 december 2017 deed de Hoge Raad uitspraak over de vraag of de strafrechter een levenslange gevangenisstraf mag opleggen. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

De kwestie was actueel geworden na een aantal arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM eist daarin dat levenslanggestraften – ondanks hun straf – uitzicht op invrijheidstelling behouden. Deze eis brengt met zich mee dat uiterlijk binnen 25 jaar – te rekenen vanaf de oplegging van de straf – een herbeoordeling plaatsvindt. Dan moet worden onderzocht of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf nog steeds gerechtvaardigd is.

In zijn tussenarrest van 5 juli 2016 had de Hoge Raad geoordeeld dat het Nederlandse systeem niet aan deze eisen voldoet. In het Nederlandse systeem ontbrak toen naar het oordeel van de Hoge Raad een mechanisme om de straf te verkorten. Dat gebrek was ontstaan door het sinds 2005 gevoerde beleid om de straf letterlijk tot de dood van de veroordeelde ten uitvoer te leggen.

De Hoge Raad is nu van oordeel dat het systeem dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie sindsdien heeft ontworpen aan de norm van het EVRM voldoet. Mocht het executiebeleid naar het oordeel van de levenslanggestrafte onder die norm blijven dan kan hijzelf het oordeel van de rechter inroepen. Ook kan de levenslanggestrafte zelf om gratie vragen.

Hoe het arrest te waarderen?

Op diverse punten schuurt het nieuwe herbeoordelingsmechanisme met de rechtspraak van het EHRM. Op drie punten gaat het zelfs over de door deze rechter gestelde grenzen. Ten eerste zal de maximale duur voordat de herbeoordeling daadwerkelijk plaatsvindt vaak langer zijn dan 25 jaar na oplegging. Ten tweede kent dit mechanisme geen vaste termijnen voor het proces van herbeoordeling. Ten derde is het criterium ‘impact op nabestaanden en slachtoffers en in de sleutel daarvan de vergelding’ niet als ‘objectief’ te waarderen.

Deze gebreken laat de Hoge Raad in stand. Dit gevoegd bij de nog steeds bestaande opvatting van de verantwoordelijke bewindslieden dat levenslanggestraften in beginsel niet vrij behoren te komen, is te verwachten dat levenslanggestraften nog steeds zelf procedures zullen moeten aanspannen om de herbeoordeling tijdig tot stand te brengen. Dit betekent dat aan de stroom van procedures voor de kortgedingrechter en de beroepscommissie van de RSJ voorlopig geen einde komt.

Nu de mogelijkheden om de civiele rechter en de penitentiaire rechter te laten ingrijpen al vóór het arrest van 5 juli 2016 bestonden en ook met succes werden benut, is de situatie voor levenslanggestraften door het arrest van 19 december 2017 in dit opzicht niet verbeterd.

De huidige ministeriële regelgeving zou daarom onderwerp moeten zijn van een formele wetgevingsprocedure, zoals vorig jaar bepleit door o.a. Mw Van Toorenburg (CDA).

Voegt het arrest iets toe?

Ja, want positief te beoordelen is dat de Hoge Raad nogmaals heeft benadrukt een rechterlijke procedure van herbeoordeling  te prefereren boven een administratieve en dus boven een toetsing door een Adviescollege voorgezeten door een voormalig lid van het Openbaar Ministerie, zoals nu het geval is.

Ook heeft de Hoge Raad met verwijzing naar de parlementaire stukken onomwonden gesteld dat van een afwijzing van een gratieverzoek in ieder geval in beroep kan worden gegaan bij de civiele rechter vanwege schending van procedurele voorschriften en een gebrekkige motivering. Aangenomen mag worden dat deze procedure ook kan worden benut bij het uitblijven van een beslissing op het gratieverzoek (zoals nu gebeurt).

Ten slotte is nogmaals bevestigd dat het gratieadvies van de veroordelende rechter leidend is voor de beslissing van de minister en die adviezen dus niet in de wind mogen worden geslagen met bijvoorbeeld een beroep op het standpunt van het OM.

Een uitvoeriger commentaar op het arrest van 19 december jl. zal op een later moment worden toegevoegd.

Geplaatst door W.F. van Hattum, 19 december 2017